Position Paper
Eérst de wet, dán de toekomst
Position paper – rondetafelgesprek 7 oktober 2026 – Stichting Van Rechtswege
Bijdrage rondetafelgesprek ronde 1 – Huidige wettelijke situatie en toekomstscenario’s
Stichting Van Rechtswege1 vertegenwoordigt ruim honderdveertig gezinnen in tachtig gemeenten2. Deze gezinnen hebben gemoedsbezwaren en de ouders beroepen zich op artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet. Hun vrijstelling ontstaat van rechtswege, dat betekent: zonder een besluit van een gemeente of ambtenaar.
Geen aanvraag, geen wettelijk toetsingskader, maar van rechtswege
Juridisch gezien is de kennisgeving een mededeling van het ouderlijk gezag (artikel 2 Leerplichtwet) aan het openbaar gezag (artikel 6 Leerplichtwet). Het is geen aanvraag en de vrijstelling wordt niet verleend of toegekend, maar zij vloeit voort uit de wet, zij ontstaat van rechtswege. In de uitspraak van 21 april jl. verduidelijkt de Hoge Raad daarom niet simpelweg ‘welke elementen een aanvraag moet bevatten’, maar hij wijzigt de wet door ouders bewijslast en dus verplichtingen op te leggen die de wet zelf hen niet oplegt.
Met alle respect die we hebben voor de Hoge Raad als hoogste strafrechter moeten we toch constateren dat hij over het hoofd heeft gezien dat de Leerplichtwet geen wettelijk toetsingskader kent dat aangescherpt had kunnen worden. De wetgever heeft blijkens de parlementaire geschiedenis nadrukkelijk gekozen voor de huidige wettelijke regeling: geen beoordeling door enige instantie, ook niet door een rechter. De Hoge Raad gaat zelfs nog een stap verder en meent dat ook de leerplichtambtenaar gemoedsbezwaren mag en moet beoordelen. Deze ruimte biedt de Leerplichtwet echter nadrukkelijk niet. Aanvullende eisen moeten een wettelijke grondslag hebben, in het bijzonder als zij betrekking hebben op bijzondere persoonsgegevens3. Die wettelijke grondslag is er ook na de uitspraak van de Hoge Raad niet. Door van ouders een onderbouwing van de bezwaren tegen het godsdienstig en levensbeschouwelijk onderwijs op openbare scholen te eisen (en zonder daarbij te voorzien in rechtsbescherming voor ouders en kinderen), is de Hoge Raad buiten de ruimte getreden die de wet hem laat. Dit heeft de rechtszekerheid van vrijgestelde ouders en kinderen ernstig ondermijnd en tegenstanders van de vrijstelling op basis van richtingbedenkingen vrij spel gegeven.
Geen juiste registratie in het Register onderwijsdeelnemers (ROD)?
Gemeente in verzuim. Omdat de Hoge Raad niet buiten de ruimte van de wet mag treden, is de vrijstelling op basis van artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet, onverkort van kracht. De ouders zijn niet in verzuim en de kinderen moeten als vrijgesteld worden geregistreerd in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) bij DUO. Voldoet een gemeente niet aan haar wettelijke registratieplicht door het kind onjuist of niet te registreren, dan is de gemeente wél in ernstig verzuim: zij weigert een wettelijk voorgeschreven handeling (correct) te verrichten.
Wie kiest het onderwijs voor de kinderen?
Door de geloofsovertuiging van ouders ondergeschikt te willen maken aan het recht op onderwijs van kinderen ondergraaft de Hoge Raad niet alleen de letter en geest van deze vrijstelling, maar eveneens het bijzonder en het particulier onderwijs. Het gaat hier niet meer om het recht op onderwijs van het kind – dat had immers ook op een andere manier gegarandeerd kunnen worden – maar om de reikwijdte van het ouderlijk gezag. De vraag die voorligt is: wie beslist welk onderwijs een kind krijgt, de ouders of de staat? Het antwoord van de Hoge Raad is een ernstige uitholling van artikel 23 Grondwet.
Met deze vrijstelling voldoet Nederland aan de verdragen
Dit wetsartikel is niet in strijd met internationale verdragen. Het respecteert de godsdienstvrijheid en onderwijsvrijheid van ouders en kinderen en accommodeert het ouderlijk gezag in situaties van overmacht. Dit artikel garandeert dat de Staat het recht van het kind op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst eerbiedigt (artikel 14.1 IVRK) alsmede de rechten en plichten van de ouders om het kind te leiden in de uitoefening van zijn of haar recht op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind (artikel 14.2 IVRK). Deze vrijheid van een ieder om zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de fundamentele rechten en vrijheden van anderen (artikel 14.3 IVRK ). Ouders (…) hebben de eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind is hun allereerste zorg (artikel 18 IVRK). Wij citeren bewust het Kinderrechtenverdrag (IVRK): Nederland voldoet met artikel 5, onder b, aan dat verdrag en er is geen reden om deze bepaling te schrappen, maar veel eer reden om haar te behouden. Deze vrijstelling kan niet uit de wet worden gehaald zonder grondrechten van ouders én kinderen te schaden. Zonder hardheidsclausule is er geen werkelijke onderwijsvrijheid meer en komt ook de godsdienstvrijheid verder onder druk te staan.
Geen contact met de leerplichtambtenaar? Zo hoort het!
De stelling dat kinderen uit het zicht van de overheid verdwijnen op het moment dat een vrijstelling van de leerplicht op grond van richtingsbezwaren ontstaat, is onjuist. Noch de leerplichtambtenaar noch de scholen zijn immers een
instrument van de overheid om kinderen in het zicht te houden. Leerplichtambtenaren zijn niet bevoegd4 ten aanzien van ouders en kinderen die van rechtswege zijn vrijgesteld en de wet stelt zeer duidelijke grenzen aan hun mogelijkheden om ouders te benaderen. Dat er geen contact is tussen ouders en de leerplichtambtenaar is een logisch gevolg van de wijze waarop de wetgever de Leerplichtwet heeft ingericht. Hetzelfde geldt immers voor ouders die hun kinderen inschrijven op een school en er zorg voor dragen dat het kind de school geregeld bezoekt. Daar heeft de leerplichtambtenaar ook geen rol meer. Dit is een volkomen normale situatie in de omgang tussen overheid en burger. Het is dan ook stemmingmakerij als gesuggereerd wordt dat vrijgestelde ouders contact zouden vermijden.
Ernstig onrecht
Het feit dat een deel van de ouders een ‘geitenpaadje’5 gebruikt, aldus Ingrado, mag nooit een reden zijn om buiten de wettelijke kaders te treden en alle kinderen op de manier die nu wordt gepropageerd6 de schoolbanken in te jagen. Vóór 21 april 2026 ontbrak iedere wettelijke grond voor het opvragen van meer informatie dan de wet van ouders eist en na de uitspraak van de Hoge Raad op 21 april 2026 is die wettelijke grond er nog steeds niet. Wat veel gemeenten op dit moment doen, is ernstig onrecht. Vooral gezinnen waarvan een kind nu vijf en dus leerplichtig wordt, worden zeer onheus bejegend. In veel gevallen gaat het om ouders die voor oudere kinderen al vrijgesteld zijn. Het zijn dezelfde ouders, dezelfde gemoedsbezwaren, dezelfde kennisgevingen en toch tweeërlei uitkomst. Dat is juridisch onmogelijk. Deze gemeenten verliezen door hun keiharde opstelling de menselijke maat uit het oog. En dan zijn er nog gemeenten die ouders onder dreiging met een melding bij Veilig Thuis tot inschrijving proberen te dwingen, iets dat op basis van de Nederlandse wet zonder andere signalen en zonder voorafgaande veroordeling niet toegestaan is.
De wetgever is aan zet
Voor de toekomst geven wij de volgende punten mee:
- roep de gemeenten op te stoppen met het opjagen van ouders en te wachten op de wetgever;
- voorkom dat gemeenten nog verder buiten de wettelijke kaders treden en spreek expliciet uit dat het onwettig is om zonder verdere zorgsignalen of veroordeling de kinderbescherming of Veilig Thuis als machtsmiddel in te zetten tegen ouders die zich op wettige wijze beroepen op artikel 5, aanhef en onder b;
- garandeer onderwijsvrijheid en godsdienstvrijheid in een eventuele toekomstige regeling voor thuisonderwijs, zoals deze ook voor bijzonder en onbekostigd onderwijs wordt gegarandeerd;
- houd terdege rekening met het feit dat een gezin geen rechtspersoon is en een bijzondere bescherming geniet;
- verken de mogelijkheden van een zelfregulerend accreditatiestelsel, zoals ook elders voorkomt;
- behoud de hardheidsclausule voor gemoedsbezwaarden.
Het is verder zeer noodzakelijk dat de ministers van Onderwijs en Justitie hun verantwoordelijkheid nemen. De minister van Onderwijs voor de correcte afhandeling van de kennisgeving van ouders7 en de minister van Justitie voor het zo aansturen van leerplichtambtenaren dat zij zich houden aan de geldende wet. Het doel daarvan is dat de gemeenten de Leerplichtwet handhaven, niet alleen in letterlijke zin, maar ook in figuurlijke zin.
Onze oproep aan u als Kamer is dan ook om, los van uw mening over thuisonderwijs, in uw controlerende functie op te treden, de huidige ontwikkelingen een halt toe te roepen tot de wetgever, waar u onderdeel van bent, gesproken heeft. Éérst de wet, dán de toekomst.
(1) Stichting Van Rechtswege is de werkstichting van vereniging Thuisonderwijsverbond.
(2) Het moge duidelijk zijn dat het zelf oprichten van scholen in deze situatie geen optie is
(3) De AVG verbiedt de overheid om persoonsgegevens te verwerken waaruit religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken, artikel 9.1 AVG. Geen van de daar genoemde uitzonderingen is van toepassing.
(4) Artikel 5, aanhef, en artikel 16.3 Leerplichtwet
(5) Ingrado, Position paper ten behoeve van het rondetafelgesprek ‘Toekomst van thuisonderwijs en leerplicht’, R’dam, 24 september 2026.
(6) https://ingrado-backend-production.ams3.digitaloceanspaces.com/uploads/publicatie-handreiking-5-onder-b-b96bf.pdf
(7) Conform de WRO en artikel 6 en 8 van de Leerplichtwet
